Schuld en Boete

Schuld en Boete

dec 01

Naamloze graven bekomen mij niet, dat weet ik uit ervaring. Op een zomerse dag kreeg ik van een vriend vier vogels in een kooitje cadeau. Het waren Mozambiquesijsjes. Ik plaatste de kooi op een bijzettafel voor het raam zodat de vogels van de frisse lucht en van de tuin met het vrije uitzicht konden genieten.
Een paar maanden later waren ze dood. Alle vier.
Ze lagen als gezwollen, geel met grijs gekleurde ballonnetjes in de kooi, de vrouwtjes herkenbaar aan de uitgerekte, gedrapeerde spikkels rondom de nek. Het deed me denken aan een rozenkrans.
De kooi stond voor de radiator. Ik had de verwarming aangezet en terwijl ik niet thuis was, waren de vogeltjes door de hitte bevangen.
Ik heb ze gezamenlijk begraven in een kuil, het werd een naamloos massagraf zonder zerk.
Mijn schuldgevoel was enorm. Tegelijkertijd was ik van mening dat een sijsje uit Mozambique toch tegen enige hitte bestand zou moeten zijn. Ik schaamde me diep voor deze ongepaste gedachten.
Jarenlang maakte ik, bij wijze van boetedoening, stiekem een kruisteken bij elk dood dier dat langs de weg lag.
Soms, als de situatie er zich voor leende, prevelde ik een WeesGegroetje voor een behouden hemelvaart.
Ik stopte er mee toen ik tijdens een lange rit op de snelweg, een kerstboom, een vuilniszak en een schoen, abusievelijk aanzag voor een lijkje. Bidden voor een kerstboom, daar kon ik wel mee leven, maar een WeesGegroetje voor een vuilniszak, dat ging me toch echt te ver.

Deze lente wandelde ik langs een doorgaande weg in de buurt van mijn huis, toen een eekhoorn mijn aandacht trok. Het was een mooi dier, zijn roodbruine vacht stak fel af tegen zijn witte buik.
Hij lag midden op de weg op zijn rechterzijde, zijn gekromde pootjes netjes opeen gelegd. Het straaltje bloed uit zijn neus was nog niet opgedroogd, waarschijnlijk was het nog warm. Hij ademde niet. Ik maakte toch weer een kruisteken en rende naar huis.
Mijn man was in de garage. Hij knutselde aan zijn motor en genoot van zijn vrije ochtend. Ik duwde hem snel een schop in zijn handen.
“Vlug, vlug, er ligt een dode eekhoorn op straat, die moet daar weg”, zei ik hijgend tegen hem.
Hij keek me aan, alsof hij niet begreep waarom hij zich moest haasten voor iets wat al dood was. Toch liep hij op een drafje met mij mee, hij weet mijn mate van opwinding doorgaans goed in te schatten.
De eekhoorn lag nog precies zoals ik hem had achtergelaten.
Ik wees naar de plek des onheils. “Zie je, daar ligt hij”, zei ik, “kijk eens of hij echt dood is”! Mijn man gaf direct gehoor aan dit commando en liep naar de eekhoorn.
Ondertussen ging ik met hoog opgeheven arm midden op de weg staan, om het inmiddels naderende verkeer tot stilstand te manen. Het had het juiste effect, de auto’s stopten meteen.
Het trof me aangenaam dat commanderen me blijkbaar goed afging, dat opende mogelijkheden voor de toekomst, maar het was niet het juiste moment om eventueel aan een uniform te gaan denken.
Mijn man constateerde dat de eekhoorn inderdaad overleden was en schoof hem liefdevol op de schop. Met enkele grote zwaaibewegingen van mijn rechterarm, maande ik het verkeer in beweging te komen. De voorste wagen gehoorzaamde, zoals ik al verwachtte, meteen en trok met piepende banden op.
We namen de eekhoorn mee naar het nabij gelegen bos. Ik zocht een plaatsje uit waar mijn man een gat groef. Het eekhoorntje werd erin gelegd en voorzichtig dekten we hem toe met bladeren en zand. We markeerden het grafje met boomschors. Ik wilde niet wederom een naamloos graf, zoals bij mijn sijsjes, dus terwijl ik een gebedje zei, kerfde mijn man een toepasselijke tekst in de boomschors; ‘HIER RUST RED HEAD’.