Geile Laarzen

Geile Laarzen

feb 20

‘Ooooh…, daar zijn ze weer, de geile laarzen.’
Zijn hete adem daalde langzaam over mijn naakte hals terwijl hij de woorden fluisterend uitsprak. De haartjes op mijn armen en nek reageerden meteen. Ik hield mijn adem in en draaide me weg van het kruiden schap in de supermarkt maar de man was al weg, vervlogen als een ijle bries.
Enkele seconden stond ik bewegingloos. Plots schudde ik mijn hoofd, zette mijn lippen en tanden op elkaar, greep mijn kar stevig vast en sjeesde op piepende wielen door de winkel. De eieren klutsten in het half open kartonnen doosje. Ik vond de vent die mij lastig viel bij de kassa.
‘Vuile viezerik, wat moet jij met mijn laarzen’, gilde ik waarop hij rood werd en wegrende. De klanten bij de kassa keken verbijsterd, helemaal toen ook ik rechtsomkeert maakte en de jacht vervolgde. Mijn prooi geraakte uit het zicht en ik liep terug naar de kassa.
‘Die man viel mij lastig en het was niet voor het eerst.’
Het kassameisje beet haar vingernagels aan flarden bij het horen van mij verhaal en enkele klanten volgden haar voorbeeld.
‘Daar!’
Hij kwam net uit de bosjes gekropen, we hebben op je gewacht’, riepen een moeder en haar dochter toen ik de winkel uit kwam. Ze wezen met hun wijsvinger met afgekloven nagelhoekjes in de richting van de man die probeerde weg te sluipen langs de flats rondom het parkeerterrein.
Ondertussen luisterde mijn man in de auto naar luide muziek, onwetend van het tumult om hem heen.
Ik struikelde over mijn boodschappentas, zo snel holde ik naar hem toe. Met twee vuisten roffelde ik op het raam.
‘Vlug, vlug, pak die vent!’
Loom keek hij me aan en opende rustig het portier, blijkbaar voelde hij er weinig voor om een sprintje te trekken voor een winkeldief.
‘Het is de laarzenman!’ krijste ik waarop mijnwederhelft ter plekke het wereldrecord ‘op slippers uit de auto springen, sprintje trekken over een parkeerterrein en laarzenman staande houden’, vestigde.
Mijn echtgenoot, die doorgaans hoog scoort op de ladder van zachtaardigheid was razend. En terecht. De laarzenman had mij bang gemaakt en daar was mijn man niet van gediend. Net zomin als ik.
Het begon twee jaar daarvoor in dezelfde supermarkt.

‘Mooie laarzen’, hoorde ik terwijl ik met mijn hoofd en linkerarm in een diepvrieskist hing. Ik hees mezelf omhoog en keek naar de man die de woorden uitsprak. Eind dertig, netjes gekapt, pantalon strak in de vouw.
‘Dank U wel mijnheer’.
Terwijl hij wegliep staarde ik glunderend naar mijn nieuwe rode lederen laarzen met hoge houten hak. Als ik thuis nieuw schoeisel toonde snoof mijn man flink door zijn neus waardoor het leek of hij morseseinen uitzond. Zijn boodschap was altijd dezelfde.
‘Een paar kopen is twee paar weggooien.’
Zijn vervolgriedel kon ik ondertussen ook wel dromen.
‘Ons huis groeit nog eens uit zijn voegen door jouw schoenenmanie en we wonen toch behoorlijk riant.’
Meestal mimede ik de tekst stiekem mee terwijl ik een raar gezicht trok, soms stak ik het puntje van mijn tong uit.
Kreeg ik nu dan eindelijk de erkenning die mij toekwam? Het vergt nogal wat van een vrouw om tot de juiste laarzen- en schoenenverzameling te komen, dat wordt door de meeste mannen zwaar onderschat.
Twee weken later wandelde ik met mijn hond Bertje door een zijstraat bij mijn huis.
‘ Mooie laarzen’ riep een vent vanaf zijn fiets naar mij, de woorden werden haastig en hees uitgesproken.
Ik herkende de man uit de Albert Heijn, met wapperende jas zoefde hij door de straat. Ik tuurde hem na tot hij uit het zicht was verdwenen.
‘Wat een rare opmerking hè?’ vroeg ik aan Bert. ‘Die afgetrapte zwarte wandellaarzen met rubberen zool, daar valt toch niets moois aan te bekennen?’
Bertje kefte twee keer ter bevestiging van elke vraag.
In de maanden daarna kwam ik de man vaker tegen en op een dag veranderde hij van tekst. ‘Geile laarzen’ joelde hij in plaats van ‘mooie laarzen.’
Mijn hart sloeg over.
‘Die heeft een afwijking Bert en niet een zo’n kleine ook’, fluisterde ik tegen mijn hond om me een houding te geven.
Bert gromde.

De man riep het steeds vaker en op den duur raakte ik eraan gewend dat mijn laarzen geil waren. Gedurende twee jaar liep ik met opgeheven hoofd door bij het horen van de kreet. Bert rechtte ook zijn rug en staart als teken van solidariteit.
Maar ruimdenkend als ik was gunde ik iedereen zijn afwijking en bovendien ondervond ik er niet zo heel veel hinder van.
Tot die zomer
Op teenslippers van krokodillenleer, tijdens de vakantie op Bali op maat laten maken, ik heb een hekel aan reptielen, stiefelde ik met Bertje door de bewuste zijstraat bij mijn huis. Ik liep in een soort eenden pas, een beetje flapperend, op platte schoenen waaieren mijn voeten een beetje zijwaarts. Zet die voeten eens recht, is standaard de wanhoopskreet van mijn zus.
Ik was dan ook op geen enkele manier voorbereid op de volgende schrille, vertwijfelde uitroep.
‘Waar zijn ze, de geile…, huh.., de geile laarzen. Waar zijn ze?’
Abrupt stond ik stil. Mijn adem stokte en mijn hart stuiterde op en neer als een pingpongbal.
‘Nou, waar zijn ze?
De man bleef achterom kijken terwijl hij van me weg fietste.
Nog voor Bert de kans kreeg om zijn torso uit te strekken ter verdediging sleurde ik hem aan zijn riem naar huis, ik hing hem net niet op.
‘Wat een griezel’, hijgde ik tegen mijn man. ‘Ik heb niet eens laarzen aan!’
Bibberend zat ik op de bank, een half gewurgde hond op mijn schoot.
‘Nu gaat het om mij, hij herkende mij met mijn stomme krokodillen teenslippers. Dit is toch niet normaal meer, ik ben bang!’ Dadelijk komt hij achter me aan.
Mijn man ging naast me zitten en sloeg zijn armen me heen waardoor Bert en ik een beetje tot rust kwamen.
‘Ik begrijp dat je dit eng vindt en het gaat inderdaad te ver. Veel te ver’, zei hij en kneep zijn normaal zo volle lippen tot een strakke streep.

En zo bevonden we ons dus drie dagen later per toeval op het parkeerterrein bij de Albert Heijn. Mijn man was nog niet eens op de hoogte van het gehijg in mijn nek bij het kruiden schap en mijn wilde achtervolging van kassa tot uitgang maar dat zou ik hem later wel vertellen.
Hij greep de laarzenman in zijn nek en dwong hem tot stilstand.
‘Wat moet dat, mijn vrouw lastigvallen?’
Als een gedwee muisje boog de laarzenman zijn hoofd en wapperde wild met zijn handen.
‘Ik heb.., ik heb…’
‘Ja, dat je een afwijking hebt is duidelijk, maar dat doe je maar lekker thuis achter je computer. Vanaf nu laat je mijn vrouw met rust, is dat duidelijk!’
‘En alle andere vrouwen ook’, zei ik stoer toen ik ook was gearriveerd.
‘Ja, ja, dat beloof ik’. Zijn kin hing bijna op zijn buik.
‘Zweren’, riep ik als een ware engel der wrake.
‘Hand erop is genoeg’, zei mijn man. Zijn zachtmoedige kant kwam weer naar boven en de mijne daardoor ook. Dat effect had hij vaker op mij.
Gedrieën schudden we elkaar de hand waarbij de gedachte door mijn hoofd flitste welke zaken hij met die hand had verricht.
In de auto verfriste ik mijn vingers met antibacteriële gel.
Het voorval liet me niet los, ik voelde me bedreigd toen ik nog geen week later weer vunzig werd toegeroepen.
Ik ging naar de politie om een melding te maken. Ik was tot op heden mans genoeg gebleken, maar bleef dat zo? Stel dat hij dit gedrag vertoonde bij jonge kwetsbaardere meisjes. Hoever zou hij uiteindelijk gaan? Een lustmoordenaar ging toch ook niet direct met het grove werk van start? Die was misschien eerst in de ban van hangplanten geraakt voordat hij overging tot het ophangen van mensen ter orgastisch genot. Daar kon een hele weg aan vooraf zijn gegaan. Dadelijk vonden ze een lijkje van een tienermeisje in het bos. Enkels, voeten en rode laarzen worden nog vermist zou er in de krant staan.
Dat kon ik niet laten gebeuren.
Behalve bedreigd was ik ook woedend. Wie dacht die zak wie hij voor zich had?

Ik zag hem van verre. Hij naderde en opende zijn mond. Nog voor hij het eerste woord uitsprak zei ik: ‘Dat is tegen de afspraak mannetje. Ik ben bij de politie geweest.’
Ook de keer daarna was ik hem voor: ‘Mijn man weet waar jij woont, dus pas maar op.’
In de stad gilde ik met veel publiek om ons heen terwijl ik mijn wijsvinger vermanend uitstak: ‘Waag het, waag het nog één keer.’
De week voor carnaval deed ik alsof ik hem prikte met mijn voor de gelegenheid aangeschafte duivelsdrietand bij de Blokker. Ik joeg hem bijna de winkel door.

Een hele tijd ging voorbij zonder dat ik hem zag. Plots fietste hij weer door de straat. Ik wachtte af en zei niets. Hij ook niet. Hij klapte heel hard in zijn handen. Ter applaus voor zichzelf of ter afleiding, ik weet het niet.
Hij was me voorbij toen ik toch nog wat hoorde.
‘Trek dan ook gewoon schoenen aan, stomme trut.’

Ik was hem totaal vergeten, had hem nooit meer gezien en nu stond hij, zeker een jaar later voor me aan de kassa bij de Albert Heijn.
‘Mooie schoenen.’
Ik schrok, de woorden waren mijn mond uit voor ik het in de gaten had maar het was de waarheid. Blauwe suède schoenen.
‘Dank U wel mevrouw.’ Hij keek me aan, zweetdruppeltje verschenen op zijn bovenlip, rekende af en verliet de winkel.
Twee weken later zag ik hem bij de bloemenzaak en mijn blik dwaalde dwangmatig af naar zijn schoeisel. Ik wilde wat zeggen, over zijn ongepoetste schoenen, maar kon me net beheersen.
Waar ben jij nou mee bezig vermande ik mezelf.

‘Mag ik je wat vragen’ vroeg ik een maand later bij een toevallige ontmoeting in de stad. Ik deed mijn best om niet naar zijn schoeisel te loeren.
‘Ja.’
‘Ben jij in therapie geweest?’
Het leek me nog niet nodig om te informeren of de therapie ook toegankelijk was voor beginnelingen.
‘Het valt me op dat je niet meer reageert en dat vind ik heel knap van je’.
‘Ja, dat klopt, wat fijn dat U dat zegt. Er zat nooit iets kwaads achter.’
‘Nou op de momenten zelf was het heel beangstigend, zeker voor vrouwen die al eerder iets hebben meegemaakt.’
‘Dat begrijp ik.’
‘Toen je begon over mijn teenslippers, ik had niet eens laarzen aan, vond ik het helemaal griezelig. Maar iedereen kan iets mankeren en jij hebt hier ook niet om gevraagd. Ik vind het bewonderingswaardig dat je de strijd met jezelf bent aangegaan, dat wilde ik je even laten weten.’
‘Dat vind ik fijn om te horen’, glimlachte hij.
‘Nou hand erop dan’, lachte ik.
We sloegen de handen ineen, ik greep niet eens onmiddellijk naar mijn antibacteriële gel. Alle activiteit zou voortaan boven de knie plaatsvinden, dat was nu bezegeld.
Hij werd een tikje overmoedig.
‘De volgende keer drinken we er samen een op’, zei hij, voordat we ieder ons weegs gingen.
Dat leek me iets te voorbarig. Ik zag ons al zitten samen. Ik mocht eens per ongeluk mijn benen onder de tafel vandaan halen, ze over elkaar slaan en met de punt van mijn laars gaan wiebelen. Toevallig in zíjn richting.