Witte Onschuld

Witte Onschuld

sep 21

‘Duw haar onder water. Langer! Nog een keer, nog een keer.’ De jongens in het zwembad gillen het uit van de pret.
‘Lucht, help, ik krijg geen lucht,’ wil ik roepen. Lange slierten haar dringen bijna in mijn keel en sluiten mijn mond af.
Ik ga onder en onder en het water kolkt om me heen. Als ik eindelijk boven kom, klauter ik moeizaam ademend op de kant en blijf daar liggen.
De jongens lachen me uit.
Het bovenstukje van mijn voorgevormde bikini is diep ingedeukt. Het kledingstuk is van mijn oudere zus, ik heb niet genoeg vlees om het te vullen.

Ik zit rechtop in mijn bed terwijl de beklemming op mijn borst langzaam wegebt. Al maanden heb ik dezelfde droom. Sinds het gebeuren met mijn echtgenoot beleef ik vrijwel elke nacht de angstige momenten uit mijn jeugd opnieuw.
Ik ga nog even liggen, het ochtendlicht gloort achter de gordijnen. Dan sta ik op en neem een ijskoude douche.
Langzaam en zorgvuldig kleed ik me aan voor deze laatste, voor mij zo belangrijke dag. Zoals iedere keer draag ik een knielange jurk met daarop een kort jasje.
Alles in de maagdelijke kleur wit. Ook mijn panty, tas en pumps. Zelfs mijn ondergoed is vervaardigd van spierwitte kant.
Mijn donkere haren bind ik zo strak in een knot op mijn hoofd dat het bloed uit mijn gezicht wegtrekt. Een broche in de vorm van een sneeuwvlok vervolmaakt het geheel.
Een laatste blik in de spiegel toont me mijn lijkbleke gelaat.
Ik ontdek een minuscuul bloedvlekje op mijn jurk, ter hoogte van mijn heup. Blijkbaar heb ik me met de speld geprikt en ongemerkt het vlekje veroorzaakt.
Ik beschouw het als een kleine dissonant in het grote geheel, ergernis gevend, maar op dit moment niets meer aan te doen. Als ik mijn hand ervoor houd, neemt niemand er notie van, daarvan ben ik overtuigd.
Vandaag zal ik niemand teleurstellen en mijn naam eer aandoen.

Onbewogen, als in een cocon, zit ik op mijn stoel in de rechtszaal.
Ik ben niet bevreesd.
Het geroezemoes om me heen vervaagt, dringt niet echt tot me door. Ik hoor alleen mijn eigen gedachten.

Vanuit het raam van de eerste verdieping aanschouw ik het toneelspel in de tuin. Ik voel gal omhoog komen en kokhals.
Ik zie hoe ze elkaar nat spetteren in de jacuzzi, ik hoor hoge kreetjes. Hij en een perfect gefabriceerd lichaam van vrouwelijke makelij, voorzien van een poppengezicht en lang rood haar, raken elkaar aan. Ik ben aan dit soort taferelen gewend geraakt. Iedere keer is hij met een ander en toch zijn ze zo gelijkend aan elkaar.
Dat kun je met een gerust hart aan hem overlaten, ik ben het levende bewijs daarvan.
Ik ben zijn eerste fabricaat, zijn mal.

Als een baltsend koppeltje maken ze hun bewegingen, voor hem is elke tijd paartijd.
Hij duwt haar tegen de rand van het bad en verbergt zijn mond in haar haren. Hij maakt enkele schokkende bewegingen en stort zijn zaad snel in haar.
Het uit zijn lendenen ontsproten zilte nat mag hij graag uitdelen en verspreiden, ik kan hem niet betichten van gierigheid.

Tijdens onze eerste ontmoeting lijkt het alsof onze ogen zich aan elkaar willen vastzuigen. ‘Je onschuldige uitstraling trok me aan als een magneet,’ herhaalt hij steeds maar weer tijdens onze huwelijksdag.
‘Jij gaat mij een meisje baren zo perfect als een pop.’

Naarmate de tijd verstrijkt bemerkt hij tijdens onze intieme momenten verscheidene lichamelijke oneffenheden bij mij.
Mijn borsten zijn inderdaad niet even groot. Vind ik ook niet dat mijn oogleden wat hangen en ik nogal wat fronsrimpels en kraaienpootjes begin te krijgen? Er zit ook een kleine opeenhoping van vetcellen rondom mijn buik en dijen. Ik kijk in de spiegel zie mezelf door zijn ogen.
Met de regelmaat van de klok neemt hij me onder handen.
‘Nee, ik schakel mijn gevoelens uit’, antwoordt hij op mijn vraag of hij het niet moeilijk vindt om in míjn vlees te snijden. ‘Als jij op de operatietafel ligt ben je voor mij een patiënt als ieder ander. Ik versta mijn vak.’
Met mijn door hem perfect gecreëerde uiterlijk is mijn echtgenoot van mening dat ik door hem bezwangerd kan worden. Ik ben er klaar voor. Ik wil inderdaad graag een baby van de man die ik liefheb.
Na een voorspoedige zwangerschap waarbij hij elke wens van me vervult, beval ik op een zonnige ochtend van ons kind.

Een zoon.
Geen perfecte pop.
Onvergeeflijk.

‘Aan jou valt geen eer meer te behalen. Zelfs niet door mij, de beste binnen mijn vakgroep.’
Ik sla mijn ogen neer terwijl hij op diverse plekken in mijn lichaam knijpt en de natte spons laat vallen.
‘Je wast je lijf voortaan zelf.’
‘Ik wil dat je zo min mogelijk in mijn gezichtsveld verschijnt,’ zegt hij terwijl hij wegloopt en me naakt in de badkamer achterlaat.
Bij de deur draait hij zich om.
‘Even voor de duidelijkheid, vanaf dit ogenblik ben je postnataal depressief, voor zover je dat zelf nog niet wist. Je blijft op je kamer en krijgt van mij medicijnen. Je bent een gevaar voor jezelf en voor het kind. Vanaf nu zorgt iemand anders voor het kind.’

Een behoorlijke hoeveelheid medicijnen ligt op het aanrecht. Een voor een worden de capsules geopend en het vrijgekomen poeder wordt voorzichtig op een schoteltje gedaan. De Bacardi cola-lemon staat al klaar. De hand schudt het pulver in het glas, pakt een lange zilveren lepel en begint nauwkeurig te roeren. Langzaam maar zeker vermengt het poeder zich met de vloeistof.
Onzichtbaar, geurloos, smaakloos. Klaar voor gebruik.

Het is nog vroeg in de ochtend als ik de tuin inkijk. Ik zie hem. Hij drijft op zijn buik in het water van de jacuzzi.
Het merendeel van de lange haren zijn sierlijk over het oppervlak van het water gedrapeerd. Als een waaier. Hij draagt een felrode bikini en zo te zien een van mijn blonde pruiken. Hij was erop gesteld dat ik regelmatig een ander kapsel had tijdens ons liefdesspel.
Het water beweegt nauwelijks, hij deint lichtjes mee. Zijn armen hangen naar voren, de handpalmen naar beneden gericht, de zwarte zijden handschoentjes doorweekt.

Wat een vredig schouwspel.
Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid denk ik dat hij dood is.
Ik geniet nog even van de rust alvorens ik de telefoon pak. Een kwartier later is de politie ter plekke.

De luide stem van mijn advocaat haalt me met een ruk uit mijn overpeinzingen.

‘Dames en heren van de jury, het lijkt me meer dan duidelijk. De behandelende psychiater heeft de beklaagde en haar echtgenoot enkele malen thuis bezocht.
De echtgenoot heeft tijdens deze huisbezoeken meermaals zijn bezorgdheid geuit over de fysiek en mentaal zwakke toestand van de beklaagde.
Zij leek in niets meer op de vrouw die zij eens was, ze was een aan bed gekluisterde. Hij noemde haar zelfs een schim van haar eigen schaduw. De arts in kwestie erkende haar erbarmelijke toestand.
Deze behandelende psychiater geeft dan ook ondubbelzinnig aan dat de verdachte gezien haar postpartumdepressie, zowel lichamelijk als psychisch niet in staat was tot het plegen van de misdaad waarvoor zij hier terecht staat.
Ik vraag u dan ook bij dezen, geachte juryleden, werp één blik op het fragiele voorkomen van deze vrouw en u zult de uitspraak van de deskundige moeten beamen.

Tevens hebt u van de psychiater kunnen vernemen dat de echtgenoot een bijna obsessieve drang had tot het creëren van de perfecte vrouw. Zij hadden daar, op vriendschappelijke basis, regelmatig indringende gesprekken over.
De overledene vertrouwde hem volledig, hun vriendschap dateerde uit de jeugdjaren.

Verder heeft de beklaagde onder ede verklaard dat haar man zich herhaaldelijk in vrouwenkledij hulde en vervolgens in de echtelijke woning rond paradeerde, om zich daarna in haar armen te storten, waarna zich dramatische taferelen afspeelden.
Urenlang diende beklaagde zich eerst te onderwerpen aan zijn exorbitante seksuele behoeftes, daarna diende zij hem een troostende schouder te bieden.
Een onmetelijk aantal vrouwen heeft hij een perfect uiterlijk aangemeten, als toonbeeld van zijn kunnen, om hen daarna te beminnen. Je zou denken dat hij zich oppermachtig waande, het tegendeel was echter waar.

Zijn ideaal zou hij nooit kunnen bereiken; “het perfecte vrouwelijke wezen zíjn!”

Ten tijde van haar postnatale depressie kon beklaagde haar man echter niet meer tot steun zijn.
En dat, dames en heren van de jury, maakte dat hij, een wanhopige, gefrustreerde man, zélf een einde aan zijn leven heeft gemaakt.
Een duidelijk geval van suïcide.’

Ik ben onder de indruk van het betoog van mijn advocaat. Mijn handen liggen losjes gevouwen op mijn schoot, mijn armen ontspannen op mijn heupen.

De jury gaat in beraad.
Minder dan een uur later betreedt iedereen alweer de rechtszaal. Ik sta naast mijn advocaat en wacht nog steeds onbevreesd het vonnis af.
Na de gebruikelijke formaliteiten krijgt de rechter het briefje van de jury.
Hij leest de uitspraak voor.

Niet Schuldig.

Een gejuich gaat op in de zaal. Enthousiast schudt mijn advocaat me de hand.
Het opgedroogde puntje bloed is nu voor iedereen zichtbaar. Het lijkt het enige schandvlekje op mijn verder vlekkeloze blazoen.
Het is van geen enkel belang meer.
‘De Witte Weduwe’ of ‘De Witte Onschuld’, zoals de pers mij maandenlang betitelde, heeft vandaag inderdaad haar onschuld bewezen.

Eenmaal buiten staan er hordes journalisten. Ze buitelen over elkaar heen met hun vragen en opmerkingen waardoor ik ze niet goed versta.
Eén vraag bereikt mijn oren luid en duidelijk.
‘Het blijft vreemd dat het slachtoffer is gevonden met één ingedeukte cup van de bikini en een enkele streng blond haar in de keel. Vindt U ook niet?’

Een serene glimlach is mijn antwoord.

Ik ontdoe de knot op mijn hoofd van het beknellende elastiek en schud met mijn hand door mijn haren. Als een waterval vallen de lokken naar beneden. Mijn bleke gezicht krijgt weer kleur.
‘Bijzonder, dat een paar handelingen een wereld van verschil kunnen maken’, fluister ik zachtjes in mezelf.